SIERADENKADO - Gouden en zilveren bedels
SIERADEN KADO - SHOP                                                   HomeContact  |  Bestellen en betalen  |  Winkelwagentje  |  OP=OP  
Goud   |  Zilver   |  Ashangers  |   Bedels  |  Hondjes  |  Speciale sieraden  |  Bioregulator   |  Parte Mia |   Medaillons |   SOS-Talisman  
Menu 
Home
Goud
Zilver
Bedels Nieuw
Hondjes
Speciale sieraden
Pandora-style
Bioregulator
Titanium sieraden
Sieradenboek
Communicatie
Contact
Favoriet
E-mail
Nieuwsbrief
Print deze pagina
Sieradenkistje met juwelen voor iedere schat
Klanteninfo
Betalen
Wat is titanium
Veel gestelde vragen
Leveringsvoorwaarden
Maatinformatie
Sieraden winkelDisclaimer
Privacy
Links
Help

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kijk op kunst

Een kijk op kunst

Egeïsche cultuur: beschaving van de eilanden van de Egeïsche Zee en het Griekse vasteland van ca. 3000 v. Chr. Tot 1100 v. Chr.
De belangrijkste culturen waren: de Minoïsche beschaving (ca. 2800-1400 v. Chr.), genoemd naar de legendarische koning Minos, die op Kreta de belangrijkste eilandencultuur tot stand bracht; de Myceense beschaving (ca. 1600-1100 v. Chr.), genoemd naar de belangrijkste nederzetting van de Acheeërs, m.n. Mycene op de Peloponnesus.

De kunstnijverheid was bijzonder ontwikkeld in Griekenland.
Uit de tijd van de oude paleizen laten bronzen wapens, edelsmeedwerk, ringen, gouden sieraden, in goud gedreven bekers met stierenvangsten zien dat in de natuur motief en de eerste fresco’s de eerste vorm van kunst zijn.

Kamarestijl (19e -18e eeuw): genoemd naar de vazen, gevonden in de Kamaresgrot bij de berg Ida op het eiland Kreta.
Kenmerkend zijn de Geometrische figuren als spiralen, ovalen en kronkels in wit, zwart en rood.

De Griekse bevolking was verspreidt over de eilanden van de Egeïsche Zee en de kusten van Klein-Azië. De cultuur herleefde, eerst in Ionië, dan op het Griekse vasteland en ten slotte, verspreid door de grote Griekse kolonisatie, vooral in Zuid-Italië en op Sicilië. In de Archaïsche tijd (800-480 v. Chr.) ontstond de monumentale Griekse kunst die in de klassieke periode (480-330 v. Chr.) haar hoogtepunt zou bereiken.
De Griekse bouwkunst was functioneel en harmonieus. Dit kun je zien aan de tempels van Griekenland.

De Griekse beeldhouwkunst.
De ontwikkeling van de vrijstaande Griekse beeldhouwkunst is te volgen in de voorstelling van de menselijke figuur.

Uit de archaïsche tijd zijn originele beelden bewaard van de staande jongeling (kouros) en de jonge vrouw (korè). De jongelingsfiguur was strak, symmetrisch en bewegingloos. De glimlach was stereotiep. Het beeld wilde frontaal gezien worden. De meisjesfiguren lijken fijner door de gedrapeerde kleding en het gestileerde haar.
De frontaliteit werd omgezet in beweeglijkheid door de figuur te laten steunen op één been, door de ongelijke houding van de armen, het licht gedraaide hoofd en meer anatomische details.

Later werden de beelden steeds beweeglijker. Naast de naakte atleet verscheen nu ook de geklede gestalte. Vanaf de 5de eeuw werden de beelden ook in brons gegoten. Bij de vrouwenfiguur werden de lichaamsvormen steeds duidelijker zichtbaar, tot Praxiteles in het midden van de 4de eeuw de naakte vrouw schiep.
De gelaatsuitdrukkingen waren weinig expressief, losgemaakt van de persoon: deze ideale mensen lijken op goden. Maar in de 4de eeuw brak de gevoelsuitdrukking door, de goden werden mensen.

Het idealisme evolueerde naar naturalisme, dit kreeg zijn hoogtepunt in de complexe beeldhouwkunst van het hellenisme.

De Griekse schilderkunst.
De Grieken schilderden niet alleen op het doek, maar op vele voorwerpen. Daarom heeft het beschilderde vaatwerk zulke grote betekenis. Er werd geschilderd op tafel- en toiletgerei, kook- en voorraadpotten, ritueel vaatwerk enz.
In de archaïsche tijd was vooral de versiering met geometrische motieven in een regelmatig patroon gebruikelijk. De horizontale lijn domineerde. Mens en dier deden hun intrede in streng gestileerde vorm. Onder invloed van kolonisatie en handel kwamen aan het eind van deze periode ook oosterse motieven voor.

In de klassieke tijd was de Attische stijl (rond Athene) toonaangevend. De vazen waren zwartfigurig op rode achtergrond of roodfigurig op zwarte achtergrond.
Met losstaande figuren op verschillende hoogte werd soms naar ruimtelijkheid gestreefd.
Te Corinthe probeerde men ook metaal na te bootsen door zwartglanzende vazen zonder versiering te ontwerpen. Het hele dagelijkse leven en de wereld van goden en helden herleefden op het vaatwerk, net zoals in de Egyptische fresco’s.

Het hellenisme (330-30 v. Chr.) was een erfenis van Alexander de Grote. Door zijn veroveringen kwam de Griekse beschaving in contact met de oosterse wereld van praal en grootheid. Uit die versmelting kwam het hellenisme voort, tevens de laatste fase van de Griekse kunst.

Het hellenisme bracht een theatrale kunst voort.
In de bouwkunst ging de aandacht meer naar stadsaanleg en theatrale monumenten. Het was de tijd van wereldwonderen, zoals de Vuurtoren van Alexandrië, de kolos van Rhodos, de Artemistentempel van Ephesus en het mausoleum van Halicarnassus.
Praalzucht en stijlvermenging vervingen de klassieke eenvoud en de stijlzuiverheid.
In de beeldhouwkunst werd de gebonden stijl van de 5de eeuw steeds meer verlaten. De verinnerlijking van de 4de eeuw sloeg om in een uitbundig gevoel. Houdingen van beelden waren niet meer eenvoudig, maar complex en getuigden van verbluffend technisch meesterschap.

Er kwamen ook nieuwe onderwerpen in de kunst. De aandacht voor het individu leidde tot de juiste weergave van het kind en natuurgetrouwe portretten. In de schilderkunst, alleen bekend uit Romeinse kopieën, werden scènes uit het volksleven en landschappen met vergezichten geschilderd.

In de kunst was Rome weinig oorspronkelijk. Rome's kunst moet gezien worden tegen de achtergrond van de Etruskische voorgangers en hellenisme invloeden. Maar in de 2de eeuw v. Chr. tekende zich meer zelfstandigheid af.
De Romeinse kunst bleef bestaan tot in de 6de eeuw. In het oosten ging ze over in de Byzantijnse kunst; in het westen werd de antieke erfenis door het christendom overgebracht op de Germaanse veroveraars.

De Etrusken, leermeesters van de Romeinen.
De Etruskische kunst kende twee belangrijkste periodes: de aristocratische periode (700-450 v. Chr.) en de rustieke periode (450-90 v. Chr.).
Indrukwekkende dodensteden zoals die van Cerveteri zijn de belangrijkste bron van kennis van de Etruskische kunst. Ze zijn in rotsen uitgehouwen of bevinden zich onder een kunstmatige heuvel. Uit de etruskische canope (de asurne met een menselijke vorm) ontwikkelde zich het eigenlijk beeld, naar Grieks model. Het realisme van deze portretten zou toenemen en een hoogtepunt bereiken met de sarcofagen in de vorm van een rustbed waarop de doden aanliggen.

In de kunstnijverheid was steen schaars. Belangrijke werken zijn in bron en terracotta uitgevoerd. In beide periodes zijn vele rijkversierde bronzen gebruiksvoorwerpen vervaardigd, onder andere spiegels, cysten en sieraden, waarop ingewikkelde siertechnieken werden toegepast.
Typisch Etruskisch aardewerk is de zwartglanzende bucchero van Cerveteri, Tarquinia en Clusium. De uit Griekenland geïmporteerde decoraties werden tot een eigen stijl verwerkt. De hals droeg meestal een stervormig motief met gestileerde bloemen en op de buik werd een mythologisch motief afgebeeld. Klimopbladeren vormden een sierrand.

Etruskische kunstwerken:
· Fresco: wandschildering. De Griekse invloed in de voorstellingen is zo sterk dat de Romeinse fresco’s ook onze bron van kennis zijn over de Griekse schilderkunst, waarvan weinig overgebleven is.
· Terracotta: gebakken kleiaarde, niet van glazuur voorzien aardewerk (beeldjes, vazen, urnen, bouwornamenten, tegels enz). De kleur is vaak de natuurlijke bakkleur van de klei die door toevoeging van bijvoorbeeld ijzerhoudende mineralen gewijzigd kon worden.
· Cyste: Bronzen toiletkist voor vrouwen, versierd met gegraveerde mythische taferelen.
· Granulering: Het verkorrelen van een massief metaal door de gesmolten massa in water of in een draaiende trommel met krijt te gieten. De verhitting van het dragend metaal veroorzaakt de hechting van de bolletjes.
· Filigraan: Versiersel met twee platte of ronde metalen draden, koordvormig gevlochten of tot figuurtjes gevormd en op andere voorwerpen aangebracht.
· Bucchero: Aardewerk van door rook zwartgekleurd terracotta.

Voor grote kunstwerken als bruggen, riolering, koepelgraven en stadsmuren maakten de Etrusken gebruik van nieuwe overwelvingtechnieken: de koepel, het gewelf en de rondboog.
Rome bouwden tijdens de eerste eeuwen van de republiek (509-31 v. Chr.) voort op de verworvenheden van de eigen Italiaanse leermeesters, de Etrusken. Maar toen Rome vanaf de 2de eeuw v. Chr. de hellenistische wereld militair onder de voet liep, begon in omgekeerde richting de culturele verovering van Rome door het Oosten.
Een stroom van beeldhouwers, architecten, schrijvers, artsen, filosofen, toneelspelers enz. kwam naar Rome om de hellenistische kunst te onderwijzen en kunstwerken te kopiëren. In confrontatie met het Oosten ontdekte Rome zijn eigen aard. De Romeinen namen wel stijlen en technieken over, maar hebben ze verder zelf ontwikkeld. Bij het begin van het keizerrijk onder keizer Augustus (27 v. Chr-14 n. Chr.) waren de Etrusken en Griekse invloeden voldoende geassimileerd en was in vele opzichten een eigen Romeinse kunst ontstaan. Ze werd het instrument om de keizerlijke idealen uit te dagen.

In de bouwkunst was Rome het meest oorspronkelijk.
Rome leverde de grootste prestaties. Bij de uitbreiding van Rome en de andere steden in de provincies waren bruggen en poorten, viaducten en aquaducten, riolering en wegen nodig.
De Romeinen voegden er nog de Toscaanse stijl aan toe, een variant op de Dorische stijl, en de composietstijl, een combinatie van de Ionische en de Corinthische stijl. Omdat vooral het decoratieve element in deze stijlen hen aantrok, was de bewerkte Corinthische zuil favoriet bij de Romeinen.

De beeldhouwkunst: het realistisch portret en het historisch reliëf.
In de Romeinse beeldhouwkunst zijn de portretten de belangrijkste groep. Het portretbeeld stelde de persoon voor in zijn functie of in relatie tot de gemeenschap, d.w.z. met machtssymbolen als uniform, toga enz.
Bij de beelden werd het meest gelet op het gezicht. In de grafsculpturen bleef dit kenmerk behouden. Omdat de Romeinen van mening waren dat in het hoofd de hele persoonlijkheid besloten lag, was het lichaam zelf stereotiep. Deze vorm van beeldhouwkunst kwam in gebruik vanaf het keizerrijk
Het historisch reliëf, zoals dat voorkwam op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten en sarcofagen drukte helemaal het Romeinse gevoel voor werkelijkheid, historie en politiek uit als in een beeldverhaal.

Hieronder een vergelijking tussen een Romeins bouwheer en een Grieks bouwheer:

Romeins bouwheer:
· De Romein schept ruimte waarin beeldhouwwerk is opgenomen.
· De Romeinse kunstenaar is onbekend; de gemeenschap staat voorop.
· De opdrachtgever is belangrijk en geeft zijn naam.
· De klemtoon ligt op de binnenkant: weelde.

Grieks bouwheer:
· De Griek is een beeldhouwer, ook als hij bouwt.
· De Griekse kunstenaar is bekend; het individu staat voorop.
· De opdrachtgever is de gemeenschap.
· De klemtoon ligt op de buitenkant: harmonie.

De interieurkunst: wandschilderingen en mozaïekvloeren.
De schilderkunst is het best te bestuderen in de fresco’s op de muren van de huizen van Pompeji, in huizen in Ostia en in catacomben. De wandschilderkunst was bijna geheel op de Griekse gebaseerd, maar er waren meer landschappen met dramatische of schilderachtige motieven.

Een speciale vorm van schilderkunst was het mozaïek, dat vooral als vloerbedekking werd toegepast, maar in de late Keizertijd ook wel tegen wanden en gewelven voorkwam. In alle Romeinse provincies waren kunstateliers bedrijvig met een eigen mozaïekproductie. Ca. 200 was Keulen een belangrijk kunstcentrum.

De kunst van de catacomben: oude vormen, nieuwe inhoud.
De kunst van de catacomben was gedurende drie eeuwen, samen met het christendom, gegroeid in verborgenheid. De thema’s van de fresco's weden ontleend aan het Oude en Nieuwe Testament, maar vormgeving en techniek kwamen overeen met de wandschilderingen in de huizen van de rijken. Om hun gedachte-inhoud voor te stellen maakten zij gebruik van symbolen. Heidense motieven werden daarbij niet geschuwd. Ook zuiver christelijke motieven deden hun intrede. Motieven van vóór het christendom kregen ook hier een andere betekenis.

De kunst van de basilieken: eenvoudige gebouwen, schitterende mozaïeken.
De kunst van de basilieken begon met het Edict van Milaan (313), toen het christendom naar buiten trad. Naast de oude motieven uit de catacomben kwamen in de mozaïeken nu ook nieuwe, weelderige martelaarstaferelen voor. Ze versierden de apsiskoepel en de bovenmuren van de middenbeuken. Het gedempte licht van de vensters met albasten platen en de bakstenen muren accentueerden het veelkleurige mozaïek op zijn blauwe of gouden achtergrond.

Byzantijnse kunst in dienst van het Rijk Gods op aarde.
De Byzantijnse kunst kristalliseerde zich uit de vermenging van verschillende cultuurstromingen tussen de 4de en 6de eeuw. Twee ervan waren toonaangevend: de christelijke vormen in de kunst, die aansloten bij de Laat Romeinse, en de oosterse die aansloten bij de laathellenistische.

Ter versiering van de Byzantijnse kerkmuren werden mozaïeken verkozen boven fresco’s wegens de duurzaamheid. Kerk en versiering vormden immers een eenheid voor de Byzantijnen. Deze kunst had geen belerende of verhalende functie, maar was onpersoonlijk, ceremonieel en symbolisch.
Mozaïeken en prachtig geaderd marmer bekleden het gehele muuroppervlak en verhullen de architectuur. De gouden achtergrond van de mozaïeken tilt de figuren buiten de tijd en schept oneindigheid. In de middenbyzantijnse periode werd de mozaïekversiering nog statiger en mystieker. In de Aya Sofia werden nieuwe mozaïeken aangebracht. In vele kloosterkerken kwamen uitvoerige cyclische taferelen voor. Met uitzondering van de mozaïeken in de San Salvator (begin 14e eeuw) in Constantinopel kwamen weinig nieuwe voorstellingen tot stand in de laatbyzantijnse periode.

Iconen ter verering.
Van de iconen uit de drie bloeiperiodes (tot de 12e eeuw) is niet veel meer bewaard. Ze kwamen voort uit het laatantieke portret en werden geschilderd op een houten paneel. Niet het beschilderde houten paneel werd vereerd, wel het oerbeeld in de uitbeelding van Christus, Maria, de heiligen en de feestdagen.
Na het iconoclasme begon de bloeitijd van de iconenschilderkunst, ook buiten het Byzantijnse Rijk.



Een tweedimensionale beeldhouwkunst.

Het vroege christendom huiverde voor het uitbeelden van de menselijke figuur in vrijstaande beelden. De mozaïeken namen die functie over in de Byzantijnse kunst.
De beeldhouwkunst werd vooral toegepast in ivoorsnijwerk, kapitelen, bronsgietwerk en de behoefte aan sarcofagen. De ivoorbewerking kende de hoogste bloei.

 

De Middeleeuwen: voor God en stad.
Voor de Romeinen waren allen die niet tot het rijk behoorden ‘barbaren’. Onder al deze ‘barbaren’ zouden de Germanen voor de Middeleeuwen echter van zeer groot belang blijken. Vanaf de Germaanse invallen in het Romeinse rijk ondervond het culturele leven in West-Europa een terugval. De Germanen begrepen de klassieke kunst niet. Ze waren nomaden en aan grote bouw- of beeldhouwwerken hadden zij weinig, omdat die niet meegenomen konden worden. Vandaar dat het Noorden tijdens de beginperiode van de middeleeuwen op architectonisch gebied weinig of niets voortbracht.
Hetzelfde kan niet gezegd worden van sierkunsten. De artistieke zin van de Germanen uitte zich vooral in kleinere, draagbare voorwerpen: sieraden, gespen en spelden en beslag voor wapens en paardentuig.
De edelsmeedkunst was een kunstambacht dat de Germanen goed lag. Aan goud en edelstenen werd bovendien een symbolische betekenis toegekend: zowel de keizer als de kerk gebruikten gouden, met edelstenen belegde voorwerpen als symbool van hun macht.

Beeldhouwkunst in dienst van de bouwkunst.
De Romaanse sculptuur was niet onafhankelijk: ze stond altijd in dienst van de bouwkunst. Het beeldhouwwerk werd geplaatst tegen een achtergrond, zodat men zich meestal moest beperken tot reliëfs. De bedoeling was decoraties en didactisch.
De beeldhouwwerken werden meestal aangebracht boven een portaal. Het beeldhouwwerk verscheen op gevels, torens, binnenmuren enz. Ook werd er steeds meer met houten beelden gewerkt.
In de 15e eeuw werd steeds meer ‘de mens’ uitgebeeld. Een baanbreker op dit gebied was Claus Sluter (1343-1405), die in dienst van de Bourgondische hertogen werkte.

 

Miniaturen en boekverluchting.
Miniaturen werden gedurende de hele middeleeuwen gemaakt. In de Romaanse miniatuurkunst was de uitbeelding nogal schematisch: de achtergrond werd vlak gehouden. Vooral het decoratieve werd benadrukt, meestal met felle kleuren.

Glasschilderkunst en tapijtwerk.
De wandschilderingen van de Romaanse kathedraal werden in de gotiek deels vervangen door brandglas. De figuren werden eerst op het glas aangebracht en vervolgens ingebrand. Dan werden de stukken gesneden en met loden banden tot een geheel samengevoegd.
Kunst werd ook gecreëerd met het tapijtwerk. In de oudheid als was het de gewoonte de muren van tempels en paleizen met tapijten te bekleden. De tapijten werden versierd en het gaf ook je status aan. Een koning had bijvoorbeeld een verschrikkelijk mooi en duur tapijt, terwijl een timmerman een simpel tapijtje had.

De paneelschilderkunst.
Typisch gotisch was de paneelschilderkunst, meestal op de luiken van altaarkasten. De paneelschilders van het einde van de 14e eeuw maakte paneelschilderijen met als onderwerp een interieur, een landschap enz. Daarbij werd steeds gestreefd naar een uiterst nauwgezette weergave van de werkelijkheid.

Hieronder een paar bekende paneelschilders:
· Meester Bertram
· Meester Franke
· Lucas Moser
· Melchior Broederlam

De renaissance: orde en maat.
In de 15e eeuw ontstond in Italië een nieuwe stijl, die naar het voorbeeld van de Oudheid de lof bezong van de aardse schoonheid: de Renaissance.
Renaissance betekent ‘wedergeboorte’, heropbloei van de kunst van de Oudheid, het was dus geen totaal nieuwe kunst, wél de kunst van ‘een nieuwe tijd’.

De kunst uit de oudheid staat model.
De 16e-eeuwse kunstenaars wilden kunstwerken maken naar het voorbeeld van de Oudheid. De klassieke bouwelementen werden weer toegepast en net als in de Oudheid werd in beelden en schilderijen de mens verheerlijkt. In de weergave van mens en natuur staan de Grieks-Romeinse kunst en die van de Renaissance heel dicht bij elkaar.
Deze culturele en intellectuele vernieuwing noemt men het humanisme. Humanisme en Renaissance zijn duidelijk niet van elkaar te scheiden. In de Renaissance werkten kunst en wetenschap samen.

Enkele belangrijke humanisten:

· Erasmus van Rotterdam (1467-1536)
· Nicolo Machiavelli (1469-1527)
· Nicolas Copernicus (1473-1543)
· Thomas Morus (1478-1535)
· Philippus Paracelsus (1493-1541)
· Philippus Melanchton (1497-1560)
· Gerard Mercator (1512-1594)
· Andreas Vesalius (1514-1564)
· Rembert Dodoens (1516-1585)
· Abraham Ortelius (1527-1598)
· Justus Lipsius (1547-1606)
· Simon Stevin (1548-1620)

Renaissance, de kunstwerken en de kunstenaars.
De koepel van de Dom van Florence, een meesterwerk van Filippo Brunelleschi (1377-1446), en het Palazzo Pitti (ca. 1450) bepaalden het nieuwe type bouwkunst, zowel kerkelijk als burgerlijk.
Een van de mooiste paleizen is het Medicipaleis, een werk van Michelozzo di Bartolommeo (1396-1472). Zijn tijdgenoot Leon Battista Alberti (1405-1472) daarentegen munt niet zozeer uit door zijn praktische realisaties als wel door zijn geschriften over bouw- en schilderkunst.
De renaissanceschilderkunst wordt omstreeks 1425 ingeluid door Masaccio (1401-1428). Hij werkte veelal in de stijl van Giotto di Bondone. Zijn drievuldigheidsfresco vertoont een kapel die in nauwkeurig perspectief is getekend. De evolutie door Masaccio ingezet ging verder met sandro Botticelli (1444-1510); de schilderijen van Fra Angelico (1387-1455) daarentegen behoren eerder tot de middeleeuwen dan tot de Renaissance.
Naast Florence speelden ook andere Noord-Italiaanse steden een belangrijke rol. In Padua schilderde Andrea Montegna (1431-1506) met een sterk doorgedreven perspectief, in Orvieto brak Pietro Perugino (1446-1524) met de middeleeuwse traditie en in Venetië werkten Giovanni Bellini (1430-1516) en Giorgione (1477-1511). De Florentijnse renaissancebeeldhouwkunst begon met de schilderachtige reliëfs van bronsgieter en edelsmid Lorenzo Ghiberti (1381-1455). Maar de grootste beeldhouwer was Donatello (1386-1466). Andrea del Verrochio (1435-1488) maakte het indrukwekkendste ruiterstandbeeld sinds de klassieke oudheid.
Michelangelo (1475-1564) leverde met de fresco’s van de Sixtijnse kapel een meesterwerk af. Hij voelde zich meer beeldhouwer dan architect. Zijn opvolger Raffaël (1483-1520) bracht de schilderkunst tot een hoger niveau.
De belangrijkste kunstenaars uit Venetië waren: Titiaan (1477-1576), Tintoretto (1518-1592) en Paolo Veronese (1528-1588).

Pracht en praal in barok en rococo.
In de Renaissance van de 16e eeuw werd aan kustwerken ruimtelijkheid en beweeglijkheid gegeven. In de barok werd deze tendens voortgezet. Net als de Renaissance vindt de barok haar oorsprong in de klassieke Oudheid. De barokkunstenaar behield zich echter het recht voor de klassieke elementen een eigen vorm te geven, zodat een nieuwe kunst ontstond. Alle kunstvormen werden aangewend om tot één geheel te komen. Ze dienden om de beweging te benadrukken, wat vooral bereikt werd door de kleuren, de versiering en het licht/schaduweffect.
De bouwkunst van de 17e eeuw richtte zich vooral op kerken en paleizen; de schilderijen en beeldhouwerwerken dienden om die gebouwen te versieren. Italië werd toonaangevend voor de kerkbouw. Frankrijk werd het moederland van de barokke kastelenbouw.

Weelderige barokkerken.
Michelangelo kondigde met zijn latere bouwwerken de barok aan, maar de eerste échte barokbouwmeester was Giacomo Vignola (1507-1573). Later kwam Lorenzo Bernini (1598-1680). Hij was de zogenaamde Michelangelo van de barok. Hij bouwde kerken, maar ook paleizen en fonteinen. Zijn tijdgenoten, onder wie vooral Carlo Maderno (1556-1629) en Franceso Borromini (1599-1667), bouwden heel wat Romeinse barokkerken.
Ook in Nederland werden barokkerken gebouwd. De meest typische barokgevel in de Nederlanden is die van de Leuvense St.-Michielskerk van Willem Hesius (1601-1683).

Beelden vol beweging.
De belangrijkste beeldhouwer van de barok was de al eerder genoemde Lorenzo Bernini (1598-1680). Hij en zijn tijdgenoten vulden de Romeinse kerken, pleinen en tuinen met beelden en fonteinen. De beeldhouwkunst van de barok streefde naar bewogenheid die het gemoed raakt, net zoals de barokgebouwen, waarmee de beelden een geheel vormen, dit doen. De beelden stralen beweging uit en drukken gevoelens uit.

Kleur- en lichtcontrasten in de schilderkunst.
Evenals de bouw- en beeldhouwkunst werd de barokschilderkunst voornamelijk vanuit Italië bestudeerd en voortgezet. De invloed van Italië was het duidelijkst merkbaar in de werken van de Vlaamse en Hollandse schilders van de 17e eeuw.
De grootste van hen was Pieter Paul Rubens (1577-1640). Zijn schilderijen treffen vooral door de geweldige levenskracht en zinnelijkheid van zijn figuren en de warme kleuren en de felle contrasten. Zijn leerling Antoon van Dyck (1599-1641) was portretschilder van Karel I van Engeland.

Rembrandt van Rijn (1606-1669) was de grootmeester van het licht/donkercontrast.
Zijn tijdgenoot Frans Hals (1580-1666) toonde in zijn werk veel levenslust. Jacob Ruysdael (1602-1670) en Jan van Goyen (1596-1656) waren meer dichters die landschappen schilderden.
Tegen het einde van de 17e eeuw kwam in de Vlaamse en Hollandse schilderkunst meer het gezellige leven van de burgerij tot uitdrukking. De belangrijkste kunstenaars uit die tijd waren Jacob Jordaens (1593-1678) en David Teniers (1610-1690).

Het classicisme verheerlijkt strenge schoonheid.
Classicisme is de naam die in de kunstgeschiedenis wordt gegeven aan de halve eeuw kunstproductie na 1770 en die zich ontwikkelde tegen de achtergrond van de Franse Revolutie, de oorlogen van Napoleon en de restauratie na het Congres
van Wenen (1815).
De kennis van de klassieke schilderkunst was sterk toegenomen door de vele opgravingen in Italië. Daar werd in 1738 Herculaneum ontdekt en in 1748 Pompeji. Klassieke voorwerpen werden een rage en enkele nieuwe studies over het oude Hellas en het klassieke Rome vonden grote weerklank.
Monumentale openbare gebouwen werden opgenomen in de megalomane ontwerpen voor stadsaanleg met brede lanen, volgens geometrische patronen. Het classicisme werd erkend als staatskunst en verspreidde zich in de overheerste gebieden.

Classicisme en de schilderkunst.
In de schilderkunst was Jacques Louis David (1748-1825) de vader van het classicisme. Door de zuiverheid en rationele compositie belichaamden zijn schilderijen de grondslagen van de antieke kunst. Jean Auguste Ingres (1780-1867) was de belangrijkste propagandist van het classicisme, waaraan hij zijn hele leven trouw bleef. Zijn invloed domineerde de kunst van de eerste helft van de 19e eeuw.

Classicisme en de beeldhouwkunst.

De beeldhouwkunst van het classicisme werd niet door Franse kunstenaars beheerst. De Italiaan Antonio Canova (1757-1822) en de Deen Bertel Thorwaldsen (1768-1844) waren er de belangrijkste vertegenwoordigers van. Ze maakten hun beelden, als afzonderlijke kunstwerken, weer van de bouwkunst los en bootsten de Griekse en Romeinse modellen zo goed mogelijk na.
De beelden zelf zijn onbewogen en koel, en hebben alleen maar een mooie vorm, zonder echte uitdrukkingen of expressies.

Het impressionisme vernieuwt de kunst.

Het impressionisme was niet direct herkenbaar als stroming in de kunst. Het ging eerder om een verzameling zoekende kunstenaars die ieder op hun eigen manier een analyse brachten van de zichtbare wereld.


Edouard Manet (1832-1883) maakte in 1863 een definitief einde aan de strijd tussen het classicisme en de romantiek door met zijn Déjeuner sur l’herbe naar een realisme over te stappen.
 

 

De ontwikkeling van het impressionisme begint in Frankrijk in het jaar 1874 met een groepsexpositie.


Een kleine groep Parijse kunststudenten met onder andere Claude Monet, Camille Pissaro (1830-1903), Auguste Renoir en Alfred Sisley vormde de kern van de nieuwe beweging; het impressionisme.

Typerende kenmerken voor de impressionistische schilderkunst zijn de voorliefde voor duidelijke en heldere kleuren, de veelheid aan kleurnuanceringen en de spontaniteit waarmee de verf is aangebracht; er is nauwelijks nog een lineaire vormgeving te zien. In deze zin vormt het impressionisme de eerste stap naar de emancipatie van de kleur ten opzichte van de relatie tot het afgebeelde object en daarmee de overgang van de klassieke naar de moderne schilderkunst.

Grote Franse impressionisten:
· Claude Monet (1840-1926)
· Edgar Degas (1834-1917)
· Alfred Sisley (1839-1919)
· Pierre-Auguste Renoir (1814-1919)
· Auguste Rodin (1840-1917)
De geboorte van de moderne kunst.
De tijd dat de kerk, de vorst of de rijke burgerij de belangrijkste opdrachtgevers waren, is voorbij. Kerken en paleizen zijn musea geworden; kunst scheppen voor een bepaalde persoon of plaats is geen doel meer. In de 20e eeuw vindt de kunstenaar zijn bestaan in het weergeven van zijn persoonlijke emoties. Daar draagt de fotografie in ruime mate toe bij. Ze verdringt de beeldende kunstenaar als enig reproducent van de zichtbare wereld en dwingt hem tot een nieuwe benadering van de werkelijkheid.
Kenmerkend voor de moderne kunst is de internationalisering. Door kunst- en beelddruk bereikt het unieke kunstwerk de massa. Ook de grens tussen kunsten vervaagt: voorwerpen worden opgenomen in een schilderij en sculpturen worden beschilderd. Kunst en leven vloeien in elkaar door objecten uit het dagelijkse leven in de kunst op te nemen. Figuratief en niet-figuratief beginnen door elkaar heen te vloeien.

Paul Cézanne

De Franse kunstenaar Paul Cézanne werd in 1839 geboren in Aix-en-Province (Frankrijk).
Hij ging naar school in Aix, en sloot een hechte vriendschap met de beroemde romanschrijver Emile Zola
Tussen 1859 en 1861 studeerde hij rechten, maar volgde in diezelfde tijd teken- en schilderlessen.
Tegen de wil van zijn onverzettelijke vader in koos Cézanne toch voor het kunstenaarschap en volgde in 1861 zola naar Paris. Zijn vader legde zich er toen maar bij neer en ondersteunde zijn zoon zodanig, dat deze financieel onafhankelijk was en zich geheel op de schilderkunst kon toeleggen, ook dankzij een enorme erfenis die hem later toeviel.
In Parijs studeerde hij korte tijd aan de Académie Suisse.
In 1863 werd Paul Cézanne niet toegelaten tot de kunstacademie in Parijs en besloot zijn kunstopleiding te vervolgen bij de Académie Suisse.
Tussen 1864 en 1869 zond hij werk in naar de officiële salon, maar zag zijn werk keer op keer geweigerd.
Hij kopieerde werken van Eugène delacroix en nicolas poussin in het Louvre, maar zijn werk werd te onbekwaam bevonden.
Zijn schilderijen uit de jaren 1865-1870 vormen zijn vroege `romantische` periode: extreem persoonlijk, individualistisch werk, gewelddadige onderwerpen en bizarre fantasieën in harde, sombere kleuren. Zwaar aangezet werk.
In Paris ontmoette hij Camille Pissarri en anderen van de groep impressionisten aldaar. Cézanne bleef echter enigszins een outsider binnen die kringen.
In 1874 deed Cézanne mee aan de eerste tentoonstelling van de impressionisten in de ruimten van de fotostudio van nadar. Hoewel Cézanne ook deelnam aan de tweede tentoonstelling van de impressionisten, werd er weinig van hem verkocht.
In 1882 werd voor het eerst werk van Cézanne toegelaten in `de Salon`.

Paul Gauguin

Paul Gauguin was een Frans schilder, beeldhouwer, keramicus en graficus en een van de leidende figuren van het postimpressionisme in de jaren 1880-1890 die veel invloed heeft gehad op de kunst van de 20ste eeuw door in zijn werk vorm en kleur tot expressieve middelen te ontwikkelen. Paul Gauguin wordt wel de vader van het expressionisme genoemd, omdat hij gevoelens wilde uitdrukken via kleur en niet meer de werkelijkheid wilde weergeven.
Eugène Henri Paul Gauguin wordt geboren in Parijs op 7 juni 1848. Gauguin´s vader is journalist. Als peuter is hij met zijn ouders en zusje van Frankrijk naar Peru gegaan, omdat zijn vader de kost niet kon verdienen en ze verwachtten in Lima hulp te kunnen krijgen. Zijn vader overleed tijdens deze zeereis en zijn jonge moeder had, hoewel ze wel opgevangen werd in Lima, toch een moeilijk bestaan.
In 1855 keert het gezin terug naar Parijs. Gauguin wordt voor zijn opleiding naar een internaat in Orléans gestuurd.
In 1865 monsterde hij bij de koopvaardij en maakt hij verschillende lange zeereizen.
In 1871 aanvaardde gauguin een baan op de aandelenbeurs en hij trouwde in 1873 met de Deense Mette Sophie Gad van wie hij vijf kinderen kreeg.
Gauguin is een succesvol effectenhandelaar. Hij en zijn gezin leiden dan ook een luxueus leven.
In 1874 zag hij in Parijs de eerste expo van de impressionisten. Hij was zo onder de indruk dat hij voor maar liefst 17.000 francs doeken kocht van o.a. Monet en Pissarro en zelf besloot schilder te worden.
In 1874 leert hij Camille Pisarro kennen en hij werkte onder diens leiding aan de verbetering van zijn teken- en schildertechniek. Onder invloed van zijn vriend Pisarro schildert hij vooral buiten. Hij luistert hierbij goed naar de raad van zijn vriend om ‘zo naar de natuur te kijken dat het past bij zijn temperament’. In de zomer bezoekt hij het plaatsje Pontoise. Samen met Pisarro schildert hij hier in de natuur.
Gauguin ontpopt zich tot kunstverzamelaar en amateur-schilder. Niet veel later neemt hij zelf deel aan een impressionistische tentoonstelling.
Hij sterft op 8 mei 1903.

Vincent van Gogh

Vincent Willem van Gogh, wordt op 30 maart 1853 geboren in het Brabantse Zundert.
De vorming van de jonge Vincent begint in 1861 op de dorpsschool. Later sturen zijn ouders hem naar twee kostscholen. Vincent blinkt uit in taal en bekwaamt zich in het Frans, engels en Duits. In maart 1868, midden in het studiejaar, gaat hij abrupt van school en keert terug naar Zundert. Hij heeft zijn officiële schoolopleiding nooit afgemaakt.
In juli 1869 wordt Vincent jongste bediende bij Goupil & Cie, een internationale kunsthandel met hoofdzetel in Parijs. Hij werkt in het Haagse filiaal dat door zijn oom Vincent is opgericht.
Vincent verhuist naar Brussel en overweegt zich voor de kunstacademie in te schrijven. Hij besluit echter tot zelfstandige studie en werkt soms in gezelschap van de Nederlandse kunstenaar Anthon van Rappard. Aangezien Vincent geen middelen van bestaan heeft, ontvangt hij geld van Theo, die in de Parijse vestiging van Goupil werkt.
Vincent is geïnteresseerd in portretkunst, die hij als mogelijke bron van inkomsten beschouwt. Aangezien hij zich geen modellen kan veroorloven, koopt hij een goede spiegel en gebruikt hij het beeld van zijn eigen gezicht om zijn talenten aan te scherpen. Vincent schildert in Parijs minstens twintig zelfportretten, die een goede indruk geven van zijn experimenten met stijl en kleur. De eerste zelfportretten zijn opgezet in het grijs en bruin van zijn Brabantse periode, maar deze sombere tinten maken weldra plaats voor gele, rode, groene en blauwe kleuren. De steeds lossere penseelvoering toont de groeiende invloed van de impressionisten.
Begin juni gaat Vincent op bezoek bij Theo. Deze is zijn werk bij Boussod beu en overweegt een eigen zaak te beginnen. Hij waarschuwt Vincent dat zij allemaal de buikriem zullen moeten aanhalen. Theo`s ongenoegen raakt Vincent diep en maakt hem zeer ongerust. Op 27 juli 1890 loopt Vincent een korenveld in en schiet zichzelf in de borst. Hij strompelt terug naar zijn kamer, waar hij twee dagen later, op 29 juli, in Theo`s bijzijn overlijdt. De dag erna wordt hij in Auvers begraven. Vincents schilderijen worden nagelaten aan Theo. Zijn werk zal uiteindelijk een enorme invloed hebben op vooruitstrevende kunstenaars van de twintigste eeuw.

James Edouard

James Sidney Edouard Ensor is op 13 april 1860 te Oostende geboren uit een Engelse vader James Frederic Ensor en een Vlaamse moeder Marie Louise Catharine Haegheman, die een souvenirwinkel met o.a. schelpen en maskers drijven. Zijn vader James Frederic Ensor was de zoon van Britse ouders. Zijn moeder was de Maria Catharina Haegheman.
Tot 1886 schilderde Ensor voornamelijk portretten en interieurs in een donker coloriet, waarin de objecten dikwijls slechts zwak belicht zijn; in dat jaar vond de vrij abrupte overgang plaats naar een schilderwijze met een krachtig en helder coloriet, met soms prachtige zachte tinten en een meer impressionistische techniek. Zijn kleurgevoel bracht hem tot het stilleven, waartoe ook zijn maskers gerekend kunnen worden. Hiermee wist Ensor een vreemd, angstwekkend effect te bereiken, dat reminiscenties oproept aan Jeroen Bosch, zoals in Zelfportret met maskers (1899, part. bezit, Antwerpen) en Geraamten in het atelier (1900, part. bezit, Brussel). Het macabere is in zijn werk steeds aanwezig: irrealiteiten, een ongebreidelde fantasie met bizarre gestalten. In deze sfeer stelt Ensor de mens voor in zijn tragisch conflict met de chaotische wereld. In zijn grootste werk, De intocht van Christus in Brussel (1888, Kon. Mus. voor Schone Kunsten, Antwerpen), met zijn ontelbare tronies, heeft hij heel de samenleving van zijn tijd aan de kaak gesteld. In veel van zijn werk vinden we dat sarcasme tegenover de bourgeoisie terug. Een groot deel van zijn werk werd door het carnaval geïnspireerd; zo ontstonden de Pierrots, de Colombines, de bontgeklede acteurs, die zich soms in schemerachtige bosjes en liefdestuinen bewegen. De zee is een hoofdbestanddeel van Ensors kunst. Zij is overal aanwezig in zijn marines, zijn duin- en strandgezichten, maar ook in zijn visionaire stukken.
James Ensor sterft op 19 november 1949, op 89-jarige leeftijd, in de kliniek van het Heilig Hart en ligt begraven achter de toren van het dorpskerkje O.L.V.-ter-Duinen, op de wijk Mariakerke te Oostende.

Edvard Munch

De Noorse kunstschilder en graficus edvard munch (1863-1944) werd geboren in Loten op 12 december 1863.
De kunstenaar kreeg zijn opleiding in Oslo.
In 1885 reist hij naar Parijs waar hij beïnvloed wordt door de impressionisten en later de post-impressionisten. Ook art-nouveau speelde een belangrijke rol in zijn creativiteit.
In 1892 kreeg hij een belangrijke expositie in Berlijn (Duitsland) bij de Vereinigung Berliner Künstler (Berlijnse Kunstenaarsvereniging).
Zijn bekendste werk is `De Schreeuw`, dat hij schilderde in 1893 nadat hij tijdens een wandeling een angstvisioen kreeg.
Edvard Munch reisde veel door Duitsland, Frankrijk en Italië. In 1909 keerde hij terug naar Noorwegen en begon te werken aan de muurschilderingen voor de aula van de universiteit van Oslo.
Munch was een labiel man. Zijn ouders, een broer en een zuster stierven toen hij nog vrij jong was en allicht verklaart dat ten dele zijn voorliefde voor macabere onderwerpen zoals `Het zieke kind`, `Vampier` of `As`.
Met zijn intense manier om psychologische en emotionele thema`s op een symbolische wijze uit te beelden, werd munch niet enkel de bekendste Noorse schilder, hij zou ook een grote invloed uitoefenen of het Duitse expressionisme.
Edvard Munch overleed in Oslo op 23 januari 1944.

Het expressionisme.
De expressionistische kunstenaars gingen ervan uit dat echte kunst wordt opgelegd door de traditie. Alle artistieke middelen om hun emoties uit te drukken waren dan ook toegestaan, zoals hervorming en wilde kleurencombinaties.
Duitse expressionisten.
De leden van de kunstgroep Die Brücke leefden en werkten in gemeenschap. Ze wilden de mens niet als doel op zichzelf, maar als een brug naar anderen en de toekomst. Zij ontdekten opnieuw de kracht van de primitieve kunst en de houtsnede. De leider van deze groep was Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938).
Vlaamse expressionisten.
Ze vestigden zich tussen 1900 en 1914 langs de Leie in Sint-Martens-Latem. Met symbolische-religieuze werken grepen ze terug naar de mystiek van de Vlaamse en Italiaanse primitieven. Deze groep had te maken met drie volksgebonden groten: Constant Permeke (1866-1952) met een instinctieve en primaire visie op mens en natuur, Gust de Smet (1877-1943) met traditionele thema’s en Fritz van den Berghe (1883-1939) met een karikaturaal expressionisme dat al verwijst naar het surrealisme.

Het fauvisme.
In 1905 stelde een groep jonge schilders hun werk tentoon op het Salon d’Automme in Parijs. De groep bestond uit onder andere Henri Matisse (1869-1954), Georges Rouault (1871-1985), Maurice de Vlaminck (1876-1958), André Derain (1880-1954), Raoul Dufy (1877-1953) en de Belg Rik Wouters (1882-1916).
Het Franse fauvisme zoekt naar zuiverheid en wetmatigheid van de beeldende middelen, het Duitse expressionisme naar innerlijke zeggingskracht.
De meest revolutionaire fauvist was Henri Matisse (1869-1954). Hij streefde naar een sterk vereenvoudiging van vorm en kleur, zonder de herkenbaarheid van de dingen geweld aan te doen.

Het kubisme.
Deze kunststroming werd geïnspireerd door het latere werk van Paul Cézanne en de negersculptuur. Voor Cézanne was elke natuurvorm te herleiden tot een kubus, een kegel of cilinder. De overlappende vlakken, de willekeurige belichting van het onderwerp, de verschillende en afwijkende gezichtspunten en de opbouw met blokken die toch diepte en ruimte weergaven, werden de belangrijkste kenmerken van het kubisme.
Het kubisme werd een erkende beweging die een belangrijke invloed uitoefende, in Frankrijk zouden vooral Fernand Léger (1881-1955) met zijn kubisme en Robert Delaunay (1885-1941) met zijn orfisme de kubistische invloed ondergaan.

De kubisten.
De kubisten braken de massa open, verleenden waarde aan de lege ruimte en beproefden nieuwe materialen. Iemand die de kubistische experimenten had meegemaakt, maar die verder doordrong tot de vorm en de massa was Constantin Brancusi (1876-1957). Zijn ideaal was het samengaan van inhoud, vorm en medium.
De interesse van de kubistische beeldhouwers waren verschillend, maar de meesten braken net als de schilders de vorm ‘open’. Ze schiepen een lege ruimte waar men vaste vorm zou verwachten en omgekeerd.

Dadaïsme:
Revolutionaire kunstbeweging tussen 1915 en 1923 van Europese en Amerikaanse schrijvers, schilders en beeldhouwers die reageren tegen de zinloze oorlog en zinloze kunst (antikunst).

De beweging ontstond in Zürich met J. Arp en T. Tzara en waaide over naar New York waar F. Picabia, M. Ray en M. Duchamp zich erbij aansloten. Dada is een willekeurig Frans woord voor stokpaardje.

Surrealisme:
literaire beweging geleid door A. Breton. De surrealistische schilders uit de jaren ’20 en ’30 vonden hun inspiratie bij de nihilistische dadaïsten. Onder invloed van S. Freud verkenden ze het onderbewuste in irrationele droombeelden.
Belangrijke vertegenwoordigers zijn: P. Klee, M. Ernst, J. Miló, Y. Tanguy, S. Dali, R. Magritte, P. Delvaux en A. Masson.

De abstracte kunst.
De abstracte kunst verwierp elke voorstelling van de zichtbare wereld. Abstracte vormgeving bestond al eeuwen maar verscheen pas in het begin van de 20ste eeuw met een inhoud.
De abstracte kunst kan op twee manieren ontstaan. De eerste manier komt voort uit het vereenvoudigen van vormen uit de natuur tot de oervorm. De tweede manier is het samenbrengen van vormen, kleuren, lijnen en materialen in een compositie.
Beide manieren hebben de kunst van deze eeuw beheerst.

Lyrische abstractie.
Deze abstracte stroming gaf de voorkeur aan gevoel en fantasie. Het begon in Rusland, waar de revolutiesfeer van vóór 1917 een goede bodem was voor abstracte kunst.
Vassily Kandnsky (1866-1944) is de eerste die een echt lyrisch abstract kunstwerk maakt. Een andere man, genaamd Paul Klee (1897-1940) was ook een bekende kunstenaar. Zijn werk is omvangrijk en verscheiden.

Geometrische abstractie.
Deze richting kwam ook uit Rusland. Het begon met het rayonisme van Michail Larionov (1881-1964). Het Rayonisne was een abstracte kunstbeweging in Rusland omstreeks 1911, die gebruik maakte van parallelle kleurstralen. Michail was van mening dat kunst een praktische functie moest hebben. In Duitsland werden deze ideeën overgenomen en ook toegepast. Het academische atelier werd vervangen door werkplaatsen, onder andere voor muurschildering, weven en decorontwerp, glasschilderijen.

Nederland.
In Nederland werden de principes van het constructivisme overgenomen door een groep beeldende kunstenaars rond het blad De Stijl.
Piet Mondriaan (1872-1944) ontwikkelde een theorie voor een ‘nieuwe beeldende kunst’. De groep kunstenaars streefde naar vereenvoudiging van alle abstracte vormen en maakte alleen gebruik van de rechte lijn, de rechte hoek, de hoofdkleuren en de niet-kleuren. Deze kunst was streng abstract en had veel uitstraling.

 
  WWW.SIERADENKADO.NL Top